VOOR WAT HOORT WAT: Freakonomics in de Amerikaanse democratische voorverkiezingen

By tintintisch

Over zowat alle factoren die de voorverkiezingen van de Amerikaanse democraten zouden kunnen beïnvloeden zijn er al interessante analyses gemaakt: het programma van beiden, hun geslacht en etniciteit en de ervaring die ze hebben. Een bijzonder boeiende factor is de fundraising, de hoeveel geld die de kandidaten ophalen en kunnen uitgeven aan hun campagne in de verschillende Amerikaanse staten. Bestaat er een correlatie tussen het beschikbare campagnegeld en de resultaten in de voorverkiezingen? En zo ja, in welke richting?
In de inleiding van het in 2005 uitgegeven boek Freakonomics schrijft de veelgeprezen econoom Steven Levitt hetvolgende: ‘verkiezingen zijn te koop. Arnold Schwarzenegger, Michael Bloomberg, Jon Corzine zijn maar een paar van de meest spectaculaire en recente voorbeelden’. Wat Levitt wil aantonen is dat er een verband bestaat tussen de hoeveelheid geld die kandidaten ter beschikking hebben en de resultaten die ze behalen tijdens de verkiezingen.
En inderdaad, uit verkiezingsgegevens blijkt dat de kandidaat de meer geld uitgeeft het vaakst wint. Het is dan ook te begrijpen dat zoveel mensen ervan uitgaan dat de kandidaat met het meeste geld ook automatisch de winnaar wordt. Maar, zo vraagt Levitt zich af, is het geld de oorzaak van de overwinning? Of bestaat er een omgekeerd verband?

Paid for by Obama for America


Toen de race tussen Clinton en Obama op gang kwam had Clinton een aanzienlijke financiële voorsprong op Obama. De reden daarvoor was dat de Clinton-clan kon rekenen op haar vaste gulle gevers. Op lange termijn raakte die bron echter uitgeput, terwijl Obama een quasi-eindeloze stroom kleine financiële giften bleef (en blijft) aanboren. Beide kandidaten halen hun geld dus uit andere bronnen, maar wat bij beiden gaat het hoe dan ook om enorme bedragen.
Het is niet moeilijk te achterhalen waarom ze zoveel campagnegeld ter beschikking hebben: door de nek-aan-nekrace is het te verwachten dat campagne voeren een beïnvloedende factor is. Op die manier krijgt ook de financiële donor van Clinton of Obama het gevoel dat zijn bijdrage een verschil maakt. Als de kandidaat van zijn of haar voorkeur geen schijn van kans maakt, zou hij veel minder geneigd zijn een bijdrage te leveren aan de campagnebus. Ook daarom sloeg de vroege voorsprong van Clinton om in een voorsprong voor Obama. De senator uit Illinois boekte enkele vroege (relatieve) overwinningen en overtuigde verhoogde daarmee zijn waarde op het veld. In de meest recente vergelijkbare campagnes spendeerde Obama zomaar even het dubbele van wat Clinton spendeerde. Om dat te bereiken heeft Obama de manier waarop camagne gevoerd wordt veranderd: het meeste geld heeft hij verdient in donaties van minder dan 200 dollar.

inzetten op de winnaar


Daar komen Levitt’s Freakonomics kijken: er bestaat wel degelijk een verband tussen het opgehaalde campagnegeld en de verkiezingsuitslag. En de reden waarom Obama hoogstwaarschijnlijk de democratische nominatie in de wacht zal slepen is niet dat hij meer geld heeft opgehaald. Obama heeft meer geld opgehaald omdat hij populairder is dan Hillary Clinton, en daarom zal hij zowel de kandidaat worden die uiteindelijk het grootste aantal stemmen behaalde als het grootste bedrag geld ophaalde.
Wat de Freakonomics-analyse extra mooi maakt: is hetvolgende: zelfs als Obama uiteindelijk minder geld zou hebben opgehaald, dan nog zou de omgekeerde correlatie blijven opgaan: zoals professor Kerremans ook zei, bestaat Obama’s budget uit massaal veel kleinere donaties (onder andere door een nooit gezien succes in een online fundraising campagne), terwijl Hillary Clinton het vooral van een kleiner aantal grotere supporters moet hebben.
Maar of je nu een miljoen dollar doneert of maar 150 (de meeste donaties aan Obama lagen lager dan 200 dollar), in het stemhokje krijg je maar één bolletje om te kleuren. En niemand is zo gek het paard te steunen waarop hij niet gewed heeft. Voor wat hoort wat.

Tags: , , , , , , ,

Leave a Reply