Ik ben de zoon van een Algerijn die zijn legerdienst gedaan heeft in Frankrijk.
We waren met zes, drie jongens, drie meisjes. Mijn vader was streng en trots. Zorg dat ik fier op u wordt, zei hij mij. En ik zei ja, maak u geen zorgen, maar het verdriet zat in mijn keel als ik weer achterbleef in België. Ik was Arafat, de zieke zoon, de zoon die altijd cadeaus kreeg. Ik kon niet mee omdat ik chronische bronchitis had, maar ik weende ‘s avonds in mijn bed. Waarom laten ze mij achter? Zien ze mij niet graag, vroeg ik mij af.
Na vier jaar in het preventorium moest ik in Gent nieuwe vrienden maken, want niemand staat graag alleen in de pauze. Dus begon ik de onnozelaar uit te hangen. Er werd over mij gesproken, Arafat had dit en dat gedaan, en ik dacht, hé, ik hoor in de groep.
Gij gaat later burgerlijk ingenieur worden, zei mijn pa. Ik wist zelfs niet wat het wilde zeggen, maar ik antwoordde ja pa, zeker, en dus moest ik naar het eerste technisch. Daar kwam ik een groep gasten tegen, sigaret in de handen, een beetje kijken of de leerkracht passeerde. Ik kon nog niet goed roken, maar je moest niet veel zeggen om erbij te horen. Ik hoorde vertellen wat ze allemaal deden in het weekend. Ze maken vanalles mee dacht ik, en ik kijk naar Dallas. Dat kon ik moeilijk vertellen, dus wou ik met die gasten mee op stap.
Arafat, ga mee op café, zegden ze. Dus ik vertelde mijn ma dat ze niet meer moest crossen om het eten klaar te maken, want ik zou op school bijven eten. Ik was viertien en was al aan het foefelen en manipuleren, omdat ik wist dat ik niet ging mogen. Ik vond het vervelend toen we begonnen spijbelen, maar ik wou ook loyaal zijn tegen mijn vrienden. Mijn vader onderschepte een brief van school. De school nodigt u met ons moeder uit voor een fuif, vertaalde ik, en ik wist dat ze toch nooit zouden gaan.
Ik was gebuisd en ging naar het beroeps. Ik kon schilderen en metsen, dat deed ik graag. En ik kon optrekken met mijn vrienden, een droom. Rocket, noemden ze mij, zoals in een film. Ik droeg een vestje en spoot graffiti. We liepen door de straat, en iedereen wist dat Rocket gepasseerd was.
Toen was er een gast die zei dat hij een joint had gesmoord. Ik zei dat je er dood van kon gaan en werd uitgelachen. Ik dacht dat ik domme vragen stelde en wilde weer mee zijn. Ik had ook al een pint gedronken, ik had ook al een fiets gestolen, dat was het clubje waar ik bijhoorde. Dat is Cannabis, toonde hij, en hij maakte met veel geste een joint klaar. Hij stak hem en en zei dat hij olifanten zag zweven. Een andere begon voor niks heel hard te giechelen. En toen is er een gast opgestaan. Hij zei dat hij het niet zag zitten. We steken vanalles uit, da’s eigen aan jong zijn. Maar die drugs roken, waarom doe je dat?
Er waren twee leiders, en de rest keek en durfde niks zeggen. We wilden geen van de twee kwetsen of kwijtraken. Ik vond wel dat degene die niet mee wou doen gelijk had, maar was ook nieuwsgierig. Die spanning, dat geheimzinnige gedoe rond die drugs. Ze lieten ook voelen dat ik er niet meer bij hoorde, daarom begon ik mee te smoren. Ik was weer een van hen.
Bob Marley smoorde, Alpha Blondy, zangers die we graag hoorden. Zelfs Bruce Lee, die sterke gast, die karateman waar ook mijn vader fan van was, dus zo slecht kon het toch niet zijn? Een dealer zei dat het gezonder was dan sigaretten roken, dus smoorden we meer. We vertelden onszelf dat het cultuurgebonden was, in Marokko en Afghanistan deden ze het ook.
Kort daarna was er het verhaal van de speed. En weer wilden we het proberen. het is wel chemisch, het is wel snuiven, maar één keer kan geen kwaad. Ik lag de hele nacht op mijn bed naar het plafond te kijken. En zo kwamen de lsd en de XTC. Daar werden we emotioneel van, en we vertelden elkaar onze problemen. De vriendenkring werd onze nieuwe familie, we kwamen op voor elkaar, ook als er iemand geld nodig had.
We waren het kotsbeu onze laatste franken aan dealers te geven, dus werden we er zelf, zodat we altijd geld zouden hebben. En we kregen geld, en respect. Iedereen ziet je graag. Er waren geen grenzen meer, altijd hoger, tot de top. Nog meer verkopen, snuiven en slikken. Toen was een razzia, en iedereen begon te klikken. Ze staken mij in een instelling voor minderjarigen. Mijn moeder was ontgoocheld, maar vooral in haar zelf. Waarom ben je verslaafd, wat hebben wij verkeerd gedaan? Ik zei dat ik dom was geweest, dat ik mij ging herpakken, maar ik leerde in de instelling auto’s stelen en smokkelde drugs binnen.
Dat is mijn zoon niet, hier, pak hem mee, riep mijn vader toen de deurwaarders aanbelden. Ik was kwaad op de maatschappij, dat ze dat mijn ouders aandeden. Kijk eens wat je ons aandoet, zeiden ze mij, je sleurt heel uw familie mee in dat moeras, en alles was slecht. Thuis zagen ze me bibberen en trillen als ik mijn drugs niet had. Ik begon te gebruiken om alles te vergeten. Het gezaag van mijn vader, het verdriet van mijn moeder, justitie, heel dat gedoe. Van heroïne zweefde ik.
Mijn vader probeerde vanalles. Hij bond mij vast, sloot mij op in de kelder, kocht mij een moto om mij bezig te houden. Maar het was een probleem dat ze niet kenden. Ik denk dat mijn vader het heeft opgegeven toen ik begon te spuiten. Ik stal de spuiten die hij nodig had voor zijn suikerziekte. Wat ik ook doe, het blijft escaleren, moet hij gedacht hebben. Dus hij heeft hem teruggetrokken.
Toen vloog er iemand voor jaren de gevangenis in. Een ander sloeg psychisch door, een derde overleed. Ik wist dat de straf ging komen, ik moest nog veel mensen geld. Ik was bang. Ik had niets te verliezen en liet me opnemen. Daar zaten mensen die ergere dingen dan ik hadden gedaan, maar toch een clean leven konden leiden. Ik keek naar hen op, het was een spiegel om te zien hoe het wel kan. Je werd ook geconfronteerd met jezelf. Daar is de deur, zeiden ze. Als je terug wil gaan gebruiken, ga dan weg. Maar dan hoor je niet meer bij deze groep. Pas na vijf maanden besliste ik echt dat ik wou stoppen met drugs. Ik sprak met mijn familie, betaalde boetes af, zag dingen veranderen.
Na elf jaar ben ik nog altijd bang om te hervallen, maar ik weet dat ik het me niet kan permitteren. Ik heb mijn vrouw en mijn dochter, ik heb te veel te verliezen. En ik heb mezelf ook een taak opgelegd, waar ik met mijn vzw werk van heb gemaakt. Toch heb ik het gevoel dat ik nog niet klaar ben, het verhaal is nog niet af.
Arafat Bouachiba wil met VZW de eenmaking een brug slaan tussen minderheden met drugsproblemen en de reguliere drughulpverlening. Hij vertelt vaak zijn levensverhaal in scholen en organisaties en stond bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 op de VLD-lijst voor Gent