Archive for the ‘Uncategorized’ Category

PARABEL VAN EEN VERLOREN ZOON

May 15, 2008

Ik ben de zoon van een Algerijn die zijn legerdienst gedaan heeft in Frankrijk.

We waren met zes, drie jongens, drie meisjes. Mijn vader was streng en trots. Zorg dat ik fier op u wordt, zei hij mij. En ik zei ja, maak u geen zorgen, maar het verdriet zat in mijn keel als ik weer achterbleef in België. Ik was Arafat, de zieke zoon, de zoon die altijd cadeaus kreeg. Ik kon niet mee omdat ik chronische bronchitis had, maar ik weende ‘s avonds in mijn bed. Waarom laten ze mij achter? Zien ze mij niet graag, vroeg ik mij af.
Na vier jaar in het preventorium moest ik in Gent nieuwe vrienden maken, want niemand staat graag alleen in de pauze. Dus begon ik de onnozelaar uit te hangen. Er werd over mij gesproken, Arafat had dit en dat gedaan, en ik dacht, hé, ik hoor in de groep.

Gij gaat later burgerlijk ingenieur worden, zei mijn pa. Ik wist zelfs niet wat het wilde zeggen, maar ik antwoordde ja pa, zeker, en dus moest ik naar het eerste technisch. Daar kwam ik een groep gasten tegen, sigaret in de handen, een beetje kijken of de leerkracht passeerde. Ik kon nog niet goed roken, maar je moest niet veel zeggen om erbij te horen. Ik hoorde vertellen wat ze allemaal deden in het weekend. Ze maken vanalles mee dacht ik, en ik kijk naar Dallas. Dat kon ik moeilijk vertellen, dus wou ik met die gasten mee op stap.
Arafat, ga mee op café, zegden ze. Dus ik vertelde mijn ma dat ze niet meer moest crossen om het eten klaar te maken, want ik zou op school bijven eten. Ik was viertien en was al aan het foefelen en manipuleren, omdat ik wist dat ik niet ging mogen. Ik vond het vervelend toen we begonnen spijbelen, maar ik wou ook loyaal zijn tegen mijn vrienden. Mijn vader onderschepte een brief van school. De school nodigt u met ons moeder uit voor een fuif, vertaalde ik, en ik wist dat ze toch nooit zouden gaan.
Ik was gebuisd en ging naar het beroeps. Ik kon schilderen en metsen, dat deed ik graag. En ik kon optrekken met mijn vrienden, een droom. Rocket, noemden ze mij, zoals in een film. Ik droeg een vestje en spoot graffiti. We liepen door de straat, en iedereen wist dat Rocket gepasseerd was.

Toen was er een gast die zei dat hij een joint had gesmoord. Ik zei dat je er dood van kon gaan en werd uitgelachen. Ik dacht dat ik domme vragen stelde en wilde weer mee zijn. Ik had ook al een pint gedronken, ik had ook al een fiets gestolen, dat was het clubje waar ik bijhoorde. Dat is Cannabis, toonde hij, en hij maakte met veel geste een joint klaar. Hij stak hem en en zei dat hij olifanten zag zweven. Een andere begon voor niks heel hard te giechelen. En toen is er een gast opgestaan. Hij zei dat hij het niet zag zitten. We steken vanalles uit, da’s eigen aan jong zijn. Maar die drugs roken, waarom doe je dat?
Er waren twee leiders, en de rest keek en durfde niks zeggen. We wilden geen van de twee kwetsen of kwijtraken. Ik vond wel dat degene die niet mee wou doen gelijk had, maar was ook nieuwsgierig. Die spanning, dat geheimzinnige gedoe rond die drugs. Ze lieten ook voelen dat ik er niet meer bij hoorde, daarom begon ik mee te smoren. Ik was weer een van hen.

Bob Marley smoorde, Alpha Blondy, zangers die we graag hoorden. Zelfs Bruce Lee, die sterke gast, die karateman waar ook mijn vader fan van was, dus zo slecht kon het toch niet zijn? Een dealer zei dat het gezonder was dan sigaretten roken, dus smoorden we meer. We vertelden onszelf dat het cultuurgebonden was, in Marokko en Afghanistan deden ze het ook.

Kort daarna was er het verhaal van de speed. En weer wilden we het proberen. het is wel chemisch, het is wel snuiven, maar één keer kan geen kwaad. Ik lag de hele nacht op mijn bed naar het plafond te kijken. En zo kwamen de lsd en de XTC. Daar werden we emotioneel van, en we vertelden elkaar onze problemen. De vriendenkring werd onze nieuwe familie, we kwamen op voor elkaar, ook als er iemand geld nodig had.
We waren het kotsbeu onze laatste franken aan dealers te geven, dus werden we er zelf, zodat we altijd geld zouden hebben. En we kregen geld, en respect. Iedereen ziet je graag. Er waren geen grenzen meer, altijd hoger, tot de top. Nog meer verkopen, snuiven en slikken. Toen was een razzia, en iedereen begon te klikken. Ze staken mij in een instelling voor minderjarigen. Mijn moeder was ontgoocheld, maar vooral in haar zelf. Waarom ben je verslaafd, wat hebben wij verkeerd gedaan? Ik zei dat ik dom was geweest, dat ik mij ging herpakken, maar ik leerde in de instelling auto’s stelen en smokkelde drugs binnen.

Dat is mijn zoon niet, hier, pak hem mee, riep mijn vader toen de deurwaarders aanbelden. Ik was kwaad op de maatschappij, dat ze dat mijn ouders aandeden. Kijk eens wat je ons aandoet, zeiden ze mij, je sleurt heel uw familie mee in dat moeras, en alles was slecht. Thuis zagen ze me bibberen en trillen als ik mijn drugs niet had. Ik begon te gebruiken om alles te vergeten. Het gezaag van mijn vader, het verdriet van mijn moeder, justitie, heel dat gedoe. Van heroïne zweefde ik.

Mijn vader probeerde vanalles. Hij bond mij vast, sloot mij op in de kelder, kocht mij een moto om mij bezig te houden. Maar het was een probleem dat ze niet kenden. Ik denk dat mijn vader het heeft opgegeven toen ik begon te spuiten. Ik stal de spuiten die hij nodig had voor zijn suikerziekte. Wat ik ook doe, het blijft escaleren, moet hij gedacht hebben. Dus hij heeft hem teruggetrokken.

Toen vloog er iemand voor jaren de gevangenis in. Een ander sloeg psychisch door, een derde overleed. Ik wist dat de straf ging komen, ik moest nog veel mensen geld. Ik was bang. Ik had niets te verliezen en liet me opnemen. Daar zaten mensen die ergere dingen dan ik hadden gedaan, maar toch een clean leven konden leiden. Ik keek naar hen op, het was een spiegel om te zien hoe het wel kan. Je werd ook geconfronteerd met jezelf. Daar is de deur, zeiden ze. Als je terug wil gaan gebruiken, ga dan weg. Maar dan hoor je niet meer bij deze groep. Pas na vijf maanden besliste ik echt dat ik wou stoppen met drugs. Ik sprak met mijn familie, betaalde boetes af, zag dingen veranderen.

Na elf jaar ben ik nog altijd bang om te hervallen, maar ik weet dat ik het me niet kan permitteren. Ik heb mijn vrouw en mijn dochter, ik heb te veel te verliezen. En ik heb mezelf ook een taak opgelegd, waar ik met mijn vzw werk van heb gemaakt. Toch heb ik het gevoel dat ik nog niet klaar ben, het verhaal is nog niet af.

Arafat Bouachiba wil met VZW de eenmaking een brug slaan tussen minderheden met drugsproblemen en de reguliere drughulpverlening. Hij vertelt vaak zijn levensverhaal in scholen en organisaties en stond bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 op de VLD-lijst voor Gent

ÉÉN VIERKANTE METER MACHT: lobbyisten in en rond de Wetstraat

May 11, 2008

Het vraagstuk over wie in België de touwtjes in handen heeft is er een dat ik graag uitgelegd zie, zeker als het iemand als Ivan De Vadder de mentor van dienst is. Ik luisterde dan ook vol aandacht naar De Vadder’s uiteenzetting over waarom de besluitvorming uiteindelijk bij zes mensen ligt en waarom de democratie voor een stuk is scheefgetrokken door het te grote machtsaandeel van de regering.
Toch had ik het gevoel dat er twee onderwerpen ontbraken: ten eerste de impact van de Europese regelgeving op de Belgische en Vlaamse wetten, en ten tweede de rechtstreekse invloed van de lobbyisten op de mensen die in België het roer in handen hebben en dus de onrechtstreekse macht die ze in België hebben. De vraag die ik hierover aan De Vadder stelde gaf me niet direct een duidelijker zicht op, dus besloot ik zelf een en ander over het onderwerp te lezen. Dit verslag is een samenvatting van wat ik, naar aanleiding van Ivan De Vadder’s lezing, heb bijgeleerd over de lobbygroepen in de Wetstraat en hun invloed op de Belgische en Europese besluitvorming.

De Vadder kaatste mijn vraag over de lobby terug met een andere vraag: ‘definieer eens wat een lobbyist is’. Ik antwoordde het volgende: ‘een lobbyist is een persoon die in opdracht van een bedrijf of een belangengroep de besluitvormers probeert te beïnvloeden in het voordeel van haar opdrachtgever.’ Achteraf gezien is dat misschien een te negatieve formulering. Het is immers niet meer dan democratisch dat de Belgische en Europese machtsheren het middenveld betrekken bij het besluitvormingsproces in plaats van te besturen vanuit een ivoren toren. Bij de Europese commissie en het Europees parlement is het zelfs een verplichting. Er lijkt in eerste instantie dus niks aan de hand. Lobbyisten voorzien vaak zelfs informatie en expertise die de Europese ambtenaren nodig hebben om hun werk te doen. Ook een aantal Europese parlementsleden appreciëren het werk van lobbyisten en zien hen soms zelf als een extra werknemer.

opdrachtgever onbekend


Toch heeft lobbyen bij veel mensen een uitgesproken negatieve connotatie. Niet altijd terecht, maar lobbyisten de heilige onschuld toekennen zou minstens zo erg zijn. Men kan zich absoluut een aantal vragen stellen bij de activiteiten van lobbyisten, zeker in de buurt van de Wetstraat. ‘Like birds en bees taking in the scent and nectar of the flowers of Brussels, they try to enjoy the honey and money of the EU’, schrijft Prof. van Schendelen in zijn boek ‘Machiavelli in Brussels – The Art of Lobbying in the EU’. Waarom staat Brussel nu op een uitgesproken tweede plaats op het lijstje met steden waar het grootste aantal lobbyisten verblijft? Volgens Corporate Europe Observatory, een Nederlandse organisatie die het reilen en zeilen van de lobby in Brussel op de voet volgt, hokken er zo’n vijftien- à twintigduizend lobbyisten samen rond de Wetstraat. Hoe dichter bij de macht, hoe beter. In een van de kantoren in de Wetstraat huist TechCentralSation, een agressieve lobbygroep die gefinancierd wordt door grote economische spelers als ExxonMobil, Microsoft en McDonalds. Ook de Scientologie-beweging heeft haar kantoor in de Wetstraat.
Het is ook opvallend dat er slechts 5108 geaccrediteerde lobbyisten zijn in Brussel. Van de andere tien- tot vijftienduizend weet men dus niet voor wie ze werken of wat hun doelen zijn; parlementsleden en Eurocommissarissen worden bestookt met informatie uit onduidelijke bronnen. Van figuren met persoonlijke belangen over bedrijven tot lokale overheden; al wie invloed wil uitoefen op de besluitvorming in Europa (en dus alle lidstaten afzonderlijk) heeft een pionnetje in de Wetstraat. Prof. van Schendelen gaat zelfs zo ver te beweren dat sommige leden van de Europese Commissie zich gedragen als lobbyisten (en inderdaad, bij wie gaan de wenkbrauwen niet omhoog als de Duitse eurocommissaris de belangen van zijn nationale autoindustrie weer eens verdedigt?

Kennis van zaken
Sinds Brussel zichzelf uitriep tot Europese hoofdstad ondergin het Europese kwartier een totale metamorfose. ‘s Avonds en tijdens het weekend is het er erg rustig tussen de vaak gloednieuwe kantoorgebouwen, maar tijdens de kantooruren werken er zo’n 85.000 mensen. Eén reden waarom het lobbyspel hier gespeeld wordt is uiteraard de machtsconcentratie, maar er is meer aan de hand. De duizenden lobbyisten geloven dat het mogelijk is om de EU te beïnvloeden en hebben daar hun redenen voor. De ingewikkeld en vaak onduidelijke Europese machtsstructuur een aantal bedenkelijke gevolgen: zoals al gezegd moeten het Europees Parlement en de Europese Commissie rekening houden met het middenveld. Dat is op zich geen negatief feit, het zou in theorie de macht zelfs dichter bij de burger kunnen brengen. Maar de complexiteit van de Europese entiteit zorgt er ook voor dat er een soort kenniskloof ontstaat. Enkel wie voldoende tijd en geld kan investeren om de structuren te leren begrijpen kan ook invloed uitoefenen. Kennis is macht, met andere woorden. ‘Het enige ruilmiddel, het toegangsticket voor de lobbyisten in Europa is hun expertise en hun representativiteit’, schrijft Ingrid Van Daele in Knack.
Er is met andere woorden sprake van een scheefgetrokken verhouding. Zoals het parlement een afspiegeling is van de bevolking, zo zou de verhoudingen bij lobbyisten dat ook moeten zijn als de redenering van de middenveldinspraak wil opgaan. De cijfers tonen duidelijk dat dat niet het geval is. Volgens Corporate Europe Observation werkt slechts tien procent van de lobbyisten voor een ngo en zijn er voor elke ngo-lobbyist zes die voor een bepaalde industrietak werken en ze herinneren de commissarissen er maar al te graag aan dat de Lissabondoelstellingen wel eens in het gedrang zouden kunnen komen als die of deze maatregel wordt doorgevoerd.

Lightcorruptie


De Britse Liberaal-Democraat Chris Davis, sinds 1999 lid van het Europese Parlement, liet zich ooit ontvallen dat hij simpelweg nood heeft en zelfs vertrouwd op lobbyisten om de werkdruk en de complexiteit van Europese agenda aan te kunnen. Net als in de journalistiek is aangereikte informatie voor een volksvertegenwoordiger een mes dat langs twee kanten snijdt. Parlementsleden en commissarissen zouden zich altijd moeten afvragen of degene die hen informatie doorgeeft niet een bepaalde bedoeling heef en wat hij (of zijn broodheer) wint met het bekend maken van de informatie. Het is absurd te vertrouwen op een lobbyist die een bepaald doel heeft, zelfs al zijn zijn cijfers correct. Cijfers vertellen niet het hele verhaal.
Corruptie, zo vertelde Ivan De Vadder, is het beïnvloeden van de besluitvorming door bedrijven via het aanbieden van financiële voordelen. Trek die vergelijking door en je kan enkel concluderen dat sommige vormen van lobbyen een light-versie van corruptie zijn. Door onderzoek en informatiewinning uit te besteden aan lobbyisten bespaart de unie collectief geld uit, maar in ruil krijgt ze wel een eenzijdig verhaal.
Het is duidelijk dat er in eerste instantie nood is aan transparantie. Er bestaan gelukkig een aantal organisaties die als waakhond optreden, maar dat is niet voldoende. Als er in het Europees Parlement opeens door tien verschillende parlementsleden eenzelfde amendement wordt ingediend, dan weet je dat er wat mis is.

bronnen:
‘Lobbyplanet: Brussels, the EU quarter’ (Corporate Europe Observatory), online op www.corporateeurope.org, juli 2005
‘de vierde macht van Europa’ (Ingrid Van Daele), KNACK, 8 december 2004
‘Machiavelli in Brussels: The Art of Lobbying the EU’ (M.P.C.M. van Schendelen), Amsterdam University Press, 2005

VOOR WAT HOORT WAT: Freakonomics in de Amerikaanse democratische voorverkiezingen

May 10, 2008

Over zowat alle factoren die de voorverkiezingen van de Amerikaanse democraten zouden kunnen beïnvloeden zijn er al interessante analyses gemaakt: het programma van beiden, hun geslacht en etniciteit en de ervaring die ze hebben. Een bijzonder boeiende factor is de fundraising, de hoeveel geld die de kandidaten ophalen en kunnen uitgeven aan hun campagne in de verschillende Amerikaanse staten. Bestaat er een correlatie tussen het beschikbare campagnegeld en de resultaten in de voorverkiezingen? En zo ja, in welke richting?
In de inleiding van het in 2005 uitgegeven boek Freakonomics schrijft de veelgeprezen econoom Steven Levitt hetvolgende: ‘verkiezingen zijn te koop. Arnold Schwarzenegger, Michael Bloomberg, Jon Corzine zijn maar een paar van de meest spectaculaire en recente voorbeelden’. Wat Levitt wil aantonen is dat er een verband bestaat tussen de hoeveelheid geld die kandidaten ter beschikking hebben en de resultaten die ze behalen tijdens de verkiezingen.
En inderdaad, uit verkiezingsgegevens blijkt dat de kandidaat de meer geld uitgeeft het vaakst wint. Het is dan ook te begrijpen dat zoveel mensen ervan uitgaan dat de kandidaat met het meeste geld ook automatisch de winnaar wordt. Maar, zo vraagt Levitt zich af, is het geld de oorzaak van de overwinning? Of bestaat er een omgekeerd verband?

Paid for by Obama for America


Toen de race tussen Clinton en Obama op gang kwam had Clinton een aanzienlijke financiële voorsprong op Obama. De reden daarvoor was dat de Clinton-clan kon rekenen op haar vaste gulle gevers. Op lange termijn raakte die bron echter uitgeput, terwijl Obama een quasi-eindeloze stroom kleine financiële giften bleef (en blijft) aanboren. Beide kandidaten halen hun geld dus uit andere bronnen, maar wat bij beiden gaat het hoe dan ook om enorme bedragen.
Het is niet moeilijk te achterhalen waarom ze zoveel campagnegeld ter beschikking hebben: door de nek-aan-nekrace is het te verwachten dat campagne voeren een beïnvloedende factor is. Op die manier krijgt ook de financiële donor van Clinton of Obama het gevoel dat zijn bijdrage een verschil maakt. Als de kandidaat van zijn of haar voorkeur geen schijn van kans maakt, zou hij veel minder geneigd zijn een bijdrage te leveren aan de campagnebus. Ook daarom sloeg de vroege voorsprong van Clinton om in een voorsprong voor Obama. De senator uit Illinois boekte enkele vroege (relatieve) overwinningen en overtuigde verhoogde daarmee zijn waarde op het veld. In de meest recente vergelijkbare campagnes spendeerde Obama zomaar even het dubbele van wat Clinton spendeerde. Om dat te bereiken heeft Obama de manier waarop camagne gevoerd wordt veranderd: het meeste geld heeft hij verdient in donaties van minder dan 200 dollar.

inzetten op de winnaar


Daar komen Levitt’s Freakonomics kijken: er bestaat wel degelijk een verband tussen het opgehaalde campagnegeld en de verkiezingsuitslag. En de reden waarom Obama hoogstwaarschijnlijk de democratische nominatie in de wacht zal slepen is niet dat hij meer geld heeft opgehaald. Obama heeft meer geld opgehaald omdat hij populairder is dan Hillary Clinton, en daarom zal hij zowel de kandidaat worden die uiteindelijk het grootste aantal stemmen behaalde als het grootste bedrag geld ophaalde.
Wat de Freakonomics-analyse extra mooi maakt: is hetvolgende: zelfs als Obama uiteindelijk minder geld zou hebben opgehaald, dan nog zou de omgekeerde correlatie blijven opgaan: zoals professor Kerremans ook zei, bestaat Obama’s budget uit massaal veel kleinere donaties (onder andere door een nooit gezien succes in een online fundraising campagne), terwijl Hillary Clinton het vooral van een kleiner aantal grotere supporters moet hebben.
Maar of je nu een miljoen dollar doneert of maar 150 (de meeste donaties aan Obama lagen lager dan 200 dollar), in het stemhokje krijg je maar één bolletje om te kleuren. En niemand is zo gek het paard te steunen waarop hij niet gewed heeft. Voor wat hoort wat.

De overschatting van de specialist: waarom Andrew Keen het bij het verkeerde eind heeft

May 9, 2008

In de @-cultuur rekent Andrew Keen af met de internetgebruiker, of om preciezer te zijn, de content creator. Dit verslag is een tegengewicht op het ondoordachte afschieten van de gebruiker.
Het moet gezegd; al wie al eens naar een politiek getint Youtube-filmpje heeft gekeken kan meespreken over de vaak hersenloze commentaar en scheldtirades die er worden neergeklad. ‘Looser content’ heet zoiets, naar analogie van User (generated) content, een van de fundamenten van Web2.0. Maar alle user content afrekenen op deze onderste, weinig waardevolle laag van content zou even oneerlijk zijn als de algemene pers door het slijk halen omwille van het bestaan van de roddelpers. Als we user-generated content eerlijk willen benaderen, moet men dus kijken naar het kleine percentage kwalitatieve inhoud.
Neem bijvoorbeeld de online-krant OhMyNews! OhMyNews werd in 2000 opgericht door een Zuid-Koreaanse progressieve freelancer. Een professioneel dus. De online krant biedt een mix van artikels geschreven door professionals en vrijwilligers – burgerjournalisten -. Op die manier wordt op een veel diepere en intensere manier naar een nieuwsitem gekeken; Er wordt een variëteit aan opninies naar boven gebracht, vaak door mensen die meer afweten van het onderwerp dan een professionele journalist. Met 27.000 burgerjournalisten en dagelijks 1.000.000 lezers mag OhMyNews! niet langer als alternatief beschouwd worden; het is simpelweg de meest invloedrijke krant van Zuid-Korea.
OhMyNews! kent een aantal gelijkaardige initiatieven, waaronder het internationale en Belgische Indymedia. Eerder dit jaar begon Indymedia.be met het verdelen van perskaarten voor burgerjournalisten. Voor alle duidelijkheid: het is niet de kloof tussen professionele journalisten en burgerjournalisten die verkleind, maar de kloof tussen de artikels die door hen geschreven worden.
Hoe kan het ook anders? Meer dan ooit kan de burger zich door de vrijheid van informatie scholen in om het even welk onderwerp. Naast de pulpisering doet er zich nog een tweede trend voor: achtergrond wint aan belang. Waar een dagbladlezer vroeger handmatig extra informatie moest opzoeken over een onderwerp heeft hij nu een schat aan informatie over om het even welk onderwerp. Links maken de wereld kleiner en de weg naar informatie was nooit zo gemakkelijk.

De sedentarisatie van kwaliteitsvolle content


Kwaliteitsvolle content de hemel inprijzen brengt haar nog niet bij de gebruiker. Tot voor kort werd het internet vaak bekeken als een anarchistische warboel. Dat is ook waarschijnlijk deels een verklaring waarom mensen als Keen de invloed het potentieel ervan niet (durven) inzien.
De gebruiker besefte echter al gauw dat er een enorm hoeveelheid inhoud klaar ligt die om een of andere reden niet gebruikt wordt. Het mag dan ook niet verwonderen dat het de gebruikers zijn die de tools bouwen om goede content naar boven te halen en het ook de gebruikers zijn ook die beslissen wat goede content is. Daarvoor bestaan tal van webapplicaties: Digg, Technorati en Del.icio.us, zijn er enkele van.; typische fenomenen waarvan de invloed, zoals Paulussen ook vertelde, op korte termijn wordt overschat en op lange termijn wordt onderschat. De programma’s werken vaak volgens hetzelfde eenvoudige principe: een Content creator deelt zijn inhoud met de internetgebruikers die beslissen of ze de inhoud de moeite waard vinden. Vergelijk het met een straatartiest: hoe beter de act, hoe meer hij verdient. Democratischer kan haast niet.

Verspreiding via nieuwe media


Tijdens de voorstelling van de onstabiele iLiad e-reader vergat Paulussen te vermelden dat er al een aantal functionerende alternatieven op de markt zijn, zoals bijvoorbeeld de Amazon Kindle. De opkomst van dat soort apparaten zal ongetwijfeld een boost betekenen voor de user-generated content. Wat die content nu nog tegenhoud is dat ze slechts via één medium verspreidt wordt, namelijk het medium dat tot haar geboorte leidde. Zoals Paulussen al vermeldde, vindt een nieuw medium zijn plaats naast de bestaande, zonder ze te verdringen. Als we deze denkwijze doortrekken naar een nieuwe vorm van content, dan zien we dat deze unfair wordt belicht; burgerjournalistiek wordt tot op heden immers enkel via het internet verspreid. Het is niet de kwaliteit van de content die de drempel vormt, maar het medium. Stel je eens voor dat door de gebruiker gecreëerde content (blogs, analyse, nieuwsgaring, opinie,…) over dezelfde verspreidingsmogelijkheden beschikt als de professionele media: een burgerjournalistiek tijdschrift, een televisiekanaal, een radiostation, en ja, een dagblad. Hoe zou de invloed van de burgermedia zich dan verhouden tegenover de professionele? Natuurlijk is het niet realistisch burgerjournalstieke stukken via de traditionele media te willen verspreiden. Burgerjournalistiek moet zich niet richten op oude mediums, maar gebruik maken van de nieuwe technologie.

Hoe ziet de toekomst er dan uit? Via persagentschappen als Inter Press Service kunnen zowel de lezer als de burgerjournalist zich voorzien van ‘ruwe data’. Bovendien heeft de gebruiker ook nog eens schat aan achtergrondinfo en opiniering nadat de burgerjournalist de data herwerkt heeft. Burgerjournalisten zouden hun artikels zelfs kunnen verspreiden via gevestigde kanalen (zoals OhMyNews! maar ook bijvoorbeeld de Standaard Online) vie dewelke zo worden verdeeld naar mobiele apparaten. Het kan nog verschillende kanten uit, maar één ding is duidelijk: de toekomst staat aan de kant van de burgerjournalist.
CREATIVE COMMONS